Vocabulary of Dutch (Nederlands)

Nouns, definite articles, plurals
Adjectives: predicative - common, neuter

1.    mother           moeder, de moeder, moeders
2.    father           vader, de vader, vaders
3.    sister           zuster, de zuster, zusters
4.    brother           broer, de broer, broers
5.    daughter           dochter, de dochter, dochters
6.    son           zoon, de zoon, zonen


Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon
gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga,
maar eeuwig leven hebbe.


For God loved the world so much that he gave his only Son,
so that everyone who believes in him should not perish but have everlasting life.

The Bible, John, 3, 16

Click on the words to learn more


1.    water           water, het water
2.    fire           vuur, het vuur, vuren
3.    sun           zon, de zon
4.    moon           maan, de maan, manen
5.    wind           wind, de wind, winden
6.    rain           regen, de regen


1.    one           een
2.    two           twee
3.    three           drie
4.    four           vier
5.    five           vijf
6.    six           zes


Geef ons heden onze dagelijks brood.

Give us today our daily bread.
The Bible, Matthew, 6, 11

Click on the words to learn more


1.    cat           kat, de kat, katten
2.    dog           hond, de hond, honden
3.    horse           paard, het paard, paarden
4.    cow           koe, de koe, koeien
5.    fish           vis, de vis, vissen
6.    bird           vogel, de vogel, vogels
7.    tree           boom, de boom, bomen
8.    flower           bloem, de bloem, bloemen


Begin van het evangelie van Jezus Christus, de Zoon van God.

The beginning of the good news of Jesus Christ, the Son of God.
The Bible, Mark, 1,1

Click on the words to learn more


1.    white           wit - witte, wit
2.    black           zwart - zwarte, zwart
3.    red           rood - rode, rood
4.    green           groen - groene, groen
5.    yellow           geel - gele, geel
6.    blue           blauw - blauwe, blauw
7.    grey           grijs - grijze, grijs
8.    brown           bruin - bruine, bruin


En gelijk gij wilt, dat u de mensen doen zullen,
doet gij hun ook desgelijks.


Do to others as you would have them do to you.
The Bible, Luke, 6,31

Click on the words to learn more


Eer uw vader en moeder; en: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven.

Honour your father and mother; and love your neighbour as yourself.
The Bible, Matthew, 19,19

Click on the words to learn more


In den beginne schiep God den hemel en de aarde.

In the beginning God created the heavens and the earth.
The Bible, Genesis, 1,1

Click on the words to learn more


De liefde is lankmoedig, zij is goedertieren;
de liefde is niet afgunstig; de liefde handelt niet lichtvaardiglijk, zij is niet opgeblazen;
Zij handelt niet ongeschiktelijk, zij zoekt zichzelve niet, zij wordt niet verbitterd,
zij denkt geen kwaad;


Love is patient and kind;
it is not jealous or conceited or proud;
love is not ill-mannered or selfish or irritable;
love does not keep a record of wrongs.

The Bible, 1 Corinthians, 13,4-5

Click on the words to learn more


En hij zeide tot Jezus: Heere, gedenk mijner, als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn.
En Jezus zeide tot hem: Voorwaar, zeg Ik u: Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn.


Then he [the man on the cross next to Him] said "Jesus, remember me when you come into your kingdom."
He replied, "Truly I tell you, today you will be with me in Paradise."

The Bible, Luke 23,42-43

Click on the words to learn more

National languages in bold

Early Dutch

Recent Dutch (pre-1947)
Early Modern Dutch (1637)
Middle Dutch (1150 - 1500)
Old Low Franconian (Old Dutch) (500 - 1150)

Back to menu